Een jubileum vieren, leden ondersteunen die in een conflict met hun werkgever terechtkomen, reiskosten voor cao-onderhandelaars, een lunch tijdens een CAP-excursie of het onderhouden van onze website. Het zijn allemaal activiteiten die bijdragen aan een actieve en aantrekkelijke vereniging. Tegelijkertijd brengen ze natuurlijk ook kosten met zich mee.
Waar komt dat geld eigenlijk vandaan? In dit artikel legt penningmeester Meinte Wildschut uit hoe VHS Railprofessionals haar activiteiten financiert.
VHS Railprofessionals kent vier belangrijkste bronnen van inkomsten.
Allereerst zijn er de contributies van onze leden. De meeste leden betalen deze via automatische incasso, een aantal via factuur. Veel werkgevers bieden bovendien de mogelijkheid om een deel van de contributie vergoed te krijgen.
Daarnaast ontvangt de vereniging een werkgeversbijdrage. Dit is een bijdrage die bedrijven beschikbaar stellen aan vakbonden voor hun rol in het overleg over arbeidsvoorwaarden.
Een derde inkomstenbron zijn de bijdragen van deelnemers aan de excursies van de Commissie Activiteiten Postactieven (CAP). Deze commissie organiseert drie keer per jaar een excursie voor leden, waarvoor deelnemers een eigen bijdrage betalen.
Tot slot ontvangt de vereniging rente op haar vermogen. Door de huidige lage rentestanden is dit geen groot bedrag, maar het draagt wel bij aan de inkomsten.
De uitgaven van VHS Railprofessionals zijn grofweg te verdelen in twee categorieën: activiteiten en organisatiekosten.
Bij activiteiten kun je denken aan evenementen, de organisatie van CAP-excursies en ondersteuning van leden, bijvoorbeeld in de vorm van rechtsbijstand.
Organisatiekosten zijn nodig om deze activiteiten mogelijk te maken. Daarbij gaat het bijvoorbeeld om administratiekosten, automatisering, bankkosten en de contributie aan de vakbondskoepel waarbij VHS Railprofessionals is aangesloten. Via deze koepel werken wij samen met andere vakbonden, wisselen we kennis en ervaring uit en zijn we vertegenwoordigd in onder andere de Sociaal-Economische Raad (SER).
Een belangrijke inkomstenbron is de werkgeversbijdrage. Vakbonden nemen deel aan onderhandelingen over collectieve arbeidsvoorwaarden. Dat kost tijd en geld, bijvoorbeeld voor overleg, voorbereiding, opleidingen en reiskosten.
Om die kosten te ondersteunen bestaat in Nederland een algemene regeling voor werkgeversbijdragen. Veel bedrijven volgen daarbij de regeling van de Algemene Werkgeversvereniging Nederland (AWVN). Ook bedrijven in de spoorsector, zoals NS en ProRail, hanteren deze systematiek.
De werkgever reserveert jaarlijks een bedrag per medewerker. Op dit moment bedraagt dat € 24,82 per fulltime equivalent (FTE). Het totaalbedrag wordt vervolgens verdeeld over de vakbonden die actief zijn binnen het bedrijf.
De verdeling gebeurt naar rato van het aantal leden dat elke vakbond binnen het bedrijf heeft. Het bedrag dat VHS Railprofessionals ontvangt hangt dus af van twee factoren: het aantal medewerkers binnen het bedrijf en het aantal leden dat onze vereniging daar heeft in verhouding tot de andere vakbonden.
Omdat wij geen volledig inzicht hebben in het aantal medewerkers bij een bedrijf en ook niet in het aantal leden van andere vakbonden, is het lastig om precies te voorspellen hoeveel werkgeversbijdrage we zullen ontvangen.
Bij het opstellen van de begroting kijken we daarom vooral naar de bedragen uit voorgaande jaren en naar de ontwikkeling van onze ledenaantallen. Op basis daarvan maken we een zo realistisch mogelijke inschatting.
Met deze uitleg hopen we meer inzicht te geven in een belangrijke bron voor de financiering van de activiteiten van VHS Railprofessionals.
Heb je naar aanleiding van dit artikel vragen of opmerkingen? Neem dan contact op.
Meinte Wildschut
Penningmeester VHS Railprofessionals
Met VHS blijf je op de hoogte!
Op dit moment is het zo dat je bij VHS lid bent op jaarbasis, ongeacht of je per kwartaal of jaar betaalt.
Ontwaakt, verworpenen der aarde.
Gans het radarwerk staat stil als u dat wil.
Twee oproepen aan werkenden om te stoppen met het werk dat ze aan het doen waren. Vooral gevoed door armoede, geen kansen dat hun kinderen het beter zullen hebben, onzekerheid, niet gezien en gehoord worden, onrust, een onbetrouwbare overheid en bestuurders en het gevoel iets te moeten gaan doen.